SS Sonderlager/Fort Queuleu

Metz, Allee Jean Burger, 57000, Maginotlinie

.

 
>> Fotopagina <<
 

De SS Sonderlager, ofwel gebouwd door de Fransen in 1868 als Fort Queuleu, ligt in het Zuiden van de stad Metz. Het is een fort wat niet meer in gebruik wordt genomen, maar verlaten kun je het ook niet noemen. Tot onze verbazing, is het terrein van het fort omgebouwd tot een park. In het midden een grasveld met een speeltuin. Tussen de diverse gebouwen en bunkers die je links en rechts in het bos ziet zijn paden aangelegd. Ook een hardlooproute is aangelegd met de diverse rek-oefentoestellen langs de paden. Achteraan het terrein is een voetbalveld. Hier zijn dus genoeg mensen aanwezig, en het terrein mag je gewoon op. Om sommige gebouwen staan hekken, eentje daarvan was open en hebben wij van binnen foto's gemaakt. Het Fort de Queuleu werd in de Tweede Wereldoorlog gebruikt als SS-Sonderlager en ook als kamp voor gevangenen van de Gestapo. Tussen de 1500 en 1800 mensen hebben hier gevangen gezeten. Velen werden gemarteld en 36 van hen kwamen hierdoor om het leven. Lees hier een stuk over de geschiedenis van het Fort Queuleu. Dit vonden wij misschien de saaiste locatie van onze Maginot-reis. Waarschijnlijk omdat er een park van gemaakt is, dat verkwanseld de verlatenheid. Het mooie was de toegangspoort, en het grote gebouw in het midden van het terrein. Verder jammer dat we dit moesten bezoeken omringd door spelende en schreeuwende kinderen. Lees hier een stuk over de geschiedenis van het Fort.

 
Fort Queuleu

Fort Queuleu ligt ten zuidoosten van Metz bij de plaats Queuleu. De bouw begon in 1868 toen dit deel van Lorraine Frans grondgebied was. Na de Frans-Duitse oorlog van 1870-71 was Elzas-Lotharingen geannexeerd. Tussen 1872 en 1875 werd het fort door het Duitse Keizerrijk verbeterd. Hernoemd als Fort Goeben maakt het deel uit van de binnenste verdedigingslinie rondom Metz. Het fort dat bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog technisch achterhaald was, zag geen gevechtsacties. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het door de Duitsers als gevangenis voor leden van het Franse verzet gebruikt. Het fort was een van de eerste die gebouwd werd volgens het systeem van luitenant-kolonel Séré de Rivières. Het was de bedoeling om een onderbroken linie rond Metz te bouwen die  moest bestaan uit artillerieforten met een verscheidenheid aan kanonnen. In de jaren 1860 nam de spanning tussen Frankrijk en Duitsland toe, zodat Frankrijk versterkingen bij de grens ging bouwen. Metz, dat dicht bij de grens lag en een strategisch spoorweg- en wegenknooppunt was, maakt deel uit van een van de eerste fortenbouw programma’s.

   
Voordat de forten waren afgebouwd, werd Frankrijk verslagen in de Frans-Duitse oorlog en werd de streek rond Metz geannexeerd door Duitsland. Metz werd een belangrijk verdedigingspunt aan de Duitse grens en er werd veel aandacht aan de verdedigingswerken besteed, die aan het begin van de twintigste eeuw de Moselstellung vormden. Het oorspronkelijke Franse bouwprogramma ging uit van acht forten rondom Metz op een afstand van 3,5 tot 5,5 km van het stadscentrum. De bouw begin in 1864 en in 1867 werd het project onder de supervisie van Séré de Rivières geplaatst. Vergeleken met de latere forten van het Séré de Rivières type heeft het ontwerp van dit fort veel weg van het gebastioneerde stelsel van Vauban uit de 18de eeuw. In hun verder ontwikkelde vorm waren de Séré de Rivières forten van 1870 veel eenvoudiger van opzet en leken ze minder op de historische voorgangers. De vier zijden van Fort Queuleu zijn 350m lang terwijl de stadszijde een lengte heeft van 700m. Kazernes en kazematten waren in twee niveaus opgebouwd. Een groot deel van de fortartillerie stond oorspronkelijk bovenop het fort en was dus blootgesteld aan met een steile hoek invallen artillerievuur. In de jaren 1860 werd deze opstelling niet als een groot nadeel ervaren, omdat men er vanuit ging dat vijandelijke artillerie bestond uit gladloopskanonnen, die massieve kogels of met buskruit gevulde granaten afschoot met het doel bressen in de wallen te schieten zodat deze gebruikt kon worden door de infanterie. Na 1870 kwam de getrokken kanonnen in gebruik, waardoor de blootgestelde gemetselde muren gevaarlijke ketsbaar werden, Tegelijkertijd werden er ontstekingen ontwikkeld die er voor zorgden dat granaten die onder een hoge hoek afgevuurd werden met houwitsers en mortieren in de lucht boven een open positie ontploften, zodat de kanonopstellingen onhoudbaar werden.
Fort Queuleu was dus al achterhaald, toen het door de Duitsers werd overgenomen. De constructie van het fort werd tijdens het Duitse keizerrijk verbeterd. Het werd hernoemd naar Fort Goeben (een Pruisische generaal die zich tijdens de slag bij Spicheren op 6 augustus 1870 had onderscheiden). Er kwamen nu verspreid liggende batterijen op flankerende posities; manschappen en munitie werden beter beschermd tegen granaatvuur. In 1885 zorgden nieuwe explosieven voor een enorme toename van de explosieve kracht van granaten, de zgn. “crise de l’obus torpille” (“torpedogranaat” crisis). Deze ontwikkeling maakte onbeschermde artillerie en metselde bouwwerken achterhaald omdat de nieuwe granaten gemakkelijk metselwerk konden vernielen.

Als antwoord hierop werden in de nieuwe forten betonnen en gronddekkingen toegepast; ook oudere forten werden aangepast. In 1885 werden enkele kwetsbare gedeelten van  Queuleu met beton versterkt en voorzien van schuilplaatsen voor de infanterie. Als oud fort had Queuleu weinig ondergrondse galerijen vergeleken met de forten van de Moselstellung, maar het had wel ondergrondse tegenmijngangen onder het front. Tijdens de annexatie van Moselle gedurende de Tweede Wereldoorlog werd het fort vanaf 1943 door de Duitse bezetters gebruikt als interneringskamp (Sonderlager) voor de leden van het Franse verzet, waaronder Joseph Derhan. Het fort werd “de hel van Queuleu” (l’enfer de Queuleu) genoemd. Het was geen concentratiekamp, maar een plaats om gearresteerde leden van het verzetten te ondervragen; de commandant was Schutzstaffel Hauptscharführer Georg Friedrich Hempen (* 27.07.1905). Tussen de 1500 en 1800 mensen werden opgesloten in Queuleu. De gevangenen werden vastgehouden in kazemat A van het fort. Daar stierven er zesendertig en vier ontsnapten er via een ventilatieschacht. Onder de meest bekende gevangenen bevond zich de Mario Groep geleid door Jean Burger. Toen Amerikaanse troepen in augustus 1944 de stad Metz naderden, evacueerden de Duitsers het fort op 17 augustus; het merendeel van de gevangenen werd overgebracht naar Struthof, Schirmeck of Ravensbrück. Georg Hempen werd door een rechtbank bij verstek ter dood veroordeeld. Hij werd gearresteerd in 1962 in Oldenburg (Duitsland) waar hij werkzaam was bij de politie. Na een lang proces werd hij op technische gronden vrijgesproken.

Op 20 november 1977 werd een monument, ontworpen door de architect R. Zonca,  onthuld ter herdenking aan het verzet en de deportatie. Het fort werd toen eigendom van de stad Metz. In 1971 was het fort al als historisch monument geklasseerd. Het fort is op geregelde tijden bezoekbaar.

bron: Wikipedia.org

Vertaling: Hans Vermeulen